www.corpuscallosummethode.com

www.ccmethode.com

Workshop op zaterdag 16 maart 2019 (Zie tabblad in het menu bovenaan de pagina)

Lui oog/scheelkijken

nieuwetijdskinderen, beelddenken, adhd, dyslexie, leerproblemen, NLD, autisme, PDD-NOS, overgevoeligheid, te veel fantasie, te weinig fantasie, faalangst, bedplassen, motorische problemen, concentratieproblemen, gespannenheid, oorontstekingen, scheelkijken, lui oog, fixatie deviatie, bijziendheid, verziendheid

Scheelkijken (strabisme) en een lui oog (amblyopie)

De meest voorkomende oorzaak van een lui oog is scheelkijken. Scheelkijken heeft zelden een medische probleem als oorzaak. In de reguliere medische wetenschap wordt de oorzaak van scheelkijken gezocht in de lengte of soepelheid van de oogspiertjes die verantwoordelijk zijn voor het richten van de ogen.
Scheelkijken of loensen wil zeggen dat de ogen niet of moeizaam allebei tegelijk gericht (focussen) en gehouden (fixeren) kunnen worden op het punt waarnaar gekeken wordt. Wanneer beide ogen niet op het zelfde punt gericht zijn, verschilt het beeld dat het rechteroog doorgeeft aan de hersenen zoveel van het beeld dat het linkeroog doorgeeft, dat de hersenen deze twee beelden niet of moeilijk tot één beeld kunnen samenvoegen (fuseren).
Het gevolg kan zijn dat de hersenen blijven proberen om de ogen goed te richten en/ of fusie tot stand te brengen, iets wat veel spanning en energieverlies geeft. of ze geven het op en je neemt 2 beelden waar: je ziet dus dubbel.
Omdat dubbelzien te verwarrend en te vermoeiend is, wordt er vaak nog voornamelijk met één oog gekeken. Het beeld van het andere oog wordt door de hersenen niet verwerkt, het wordt als het ware weggedrukt. Wanneer dat steeds bij hetzelfde oog gebeurt, verleert op den duur dit oog het kijken, waardoor het zicht ervan vermindert: het oog wordt "lui".
Een andere mogelijkheid is dat de hersenen ervoor om elk oog om de beurt te gebruiken (alternerend kijken), dit voorkomt dat een oog lui wordt, maar geeft veel onzekerheid in het functioneren.

Scheelkijken (strabisme)en een lui oog (amblyopie) - gezien vanuit een holistisch standpunt

Op basis van de kennis en inzichten op het gebied van de werking van de hersenen en de visuele waarneming die ik door opleiding en zelfstudie heb verkregen, gecombineerd met mijn praktijkervaring in de optologie, werd het me steeds duidelijker dat de aanleiding van scheelkijken inderdaad gezocht moet worden in problemen met de besturing van de ogen door middel van de oogspiertjes, maar dat de oorzaak hiervan gezocht moet worden in de (samen)werking van de hersenhelften, want het zijn de hersenhelften die de ogen door middel van de spiertjes aansturen.

Voor elke beweging van het lichaam is een impuls nodig vanuit de grote hersenen.
Hierbij zijn de bewegingen van de linker lichaamshelft gekoppeld aan de rechterhersenhelft en de bewegingen van de rechter lichaamshelft gekoppeld aan de linkerhersenhelft.
Dit betekent dat de spieren van elk oog worden aangestuurd door de tegengesteld liggende hersenhelft. Als de hersenhelften goed samenwerken kunnen in principe ook de ogen goed samenwerken en wanneer de samenwerking van de hersenhelften niet voldoende is, kan dit effect hebben op de samenwerking van de ogen.
Met name zijn problemen te verwachten met het fusievermogen (samenvoegen van het beeld van het linker- en het beeld van het rechteroog) zodat er één beeld waargenomen wordt en met het focussen (richten op één punt) en fixeren (de ogen langere tijd op dat punt gericht houden).
Vooral bij de laatst genoemde functies is het erg belangrijk is dat de bewegingen van de spiertjes van beide ogen goed op elkaar afgestemd zijn en dus evenveel of even weinig worden aangespannen.

We kijken met onze ogen, maar we zien met onze hersenen.
Wat we zien bepaalt op zijn beurt weer waar we kijken (en wat we dan zien...)

De hersenen bepalen waar we kijken en welke informatie relevant genoeg is om gezien en vervolgens verwerkt te worden. Het zijn ook de hersenen die verantwoordelijk zijn voor onder meer het richten, de samenwerking en het scherpstellen van de ogen en het samenvoegen van de beelden zodat er één beeld wordt waargenomen.
Wanneer er geen medische oorzaak zoals een oog- of hersenziekte is voor het niet goed kunnen richten en scherpstellen van de ogen en het samenvoegen van de beelden, dan moet de oorzaak daarvan naar mijn mening bij de hersenfuncties gezocht worden.

Het rechteroog wordt bestuurd door de linkerhersenhelft en het linkeroog door de rechterhersenhelft; de informatie van elk oog gaat in principe naar beide hersenhelften. Door middel van fusie wordt al deze informatie (via het corpus callosum) samengevoegd tot één beeld.
Om beide ogen goed te kunnen richten (focussen) en de informatie samen te voegen (fusie) tot een enkelvoudig scherp beeld, moet de communicatie en samenwerking tussen de beide hersenhelften goed zijn.

Loensen of scheelkijken (oftewel het niet goed kunnen focussen en/of fixeren) kan er op wijzen dat de communicatie en de samenwerking tussen de hersenhelften onvoldoende is.
Wanneer de samenwerking tussen de hersenhelften onvoldoende is, kunnen de hersenen niet alle informatie die ze krijgen aangeboden, adequaat verwerken.
Wanneer de hersenen meer informatie aangeboden krijgen dan ze kunnen verwerken, hoopt zich spanning op in een van de hersenhelften. Deze spanning heeft op den duur effect op het functioneren en zal zich ook gaan manifesteren in het lichaam; dit zal meestal zijn in de lichaamshelft die bestuurd wordt door de hersenhelft waar zich een teveel aan spanning heeft opgehoopt.

Hoe en waar deze spanning tot uiting komt in het lichaam en in het functioneren, is afhankelijk van de persoon: bepalend daarbij zijn zijn aard en aanleg en de sterke en zwakke plekken in het lichaam. Bij sommige kinderen uit de spanning zich bij voorbeeld in leer- of emotionele problemen, bij andere kinderen ontstaan er problemen met de oren of ogen. Ook combinaties hiervan komen vaak voor.

Wanneer de spanning zich op het visueel systeem richt heeft het oog dat door de 'gespannen' hersenhelft bestuurd wordt, moeite om goed te kunnen richten. Wanneer de ogen niet goed op hetzelfde punt gericht zijn, krijgen de hersenen van elk oog een ander beeld binnen.
Wanneer het verschil tussen de beelden van beide ogen te groot is, wordt het moeilijk voor de hersenen om door middel van fusie de beelden tot één scherp enkelvoudig beeld samen te voegen. Het gevolg zou dubbelzien zijn.
Om dubbelzien te voorkomen wordt op den duur de informatie (het beeld) van een oog door de hersenen onderdrukt. Wanneer dit steeds hetzelfde oog is, loopt dat oog de kans om 'lui' te worden.

Het zou zelfs zo kunnen zijn dat de hersenhelft die teveel spanning heeft opgebouwd, het oog als 'informatie-invoer-kanaal' afsluit door het weg te draaien; op die manier komt er via dat oog geen informatie meer binnen waardoor de spanning in de betreffende hersenhelft niet nog meer oploopt.


De behandeling van scheelkijken (strabisme) en een lui oog (amblyopie) - gezien vanuit de reguliere medische wetenschap

Wanneer scheelkijken voorkomt in combinatie met verziendheid of een te groot verschil in zicht tussen de beide ogen, dan wordt geprobeerd het scheelkijken te verhelpen met behulp van een bril. Wanneer het scheelzien blijft bestaan en er tevens sprake is van een lui oog, wordt het goede oog een deel van de tijd afgeplakt. Het luie oog wordt op deze manier gedwongen om te kijken, dit moet voorkomen dat het luie oog steeds minder gaat zien. Als afplakken van het goede oog niet voldoende helpt, wordt overgegaan tot een operatie om het scheelkijken te verhelpen. De oogspiertjes die verantwoordelijk zijn voor het richten van de ogen worden ingekort, verlengd of verlegd.
Hierbij moet worden opgemerkt dat één keer opereren vaak niet volstaat, aangezien in veel gevallen het luie oog zijn stand van voor de operatie weer, voor zover mogelijk, gaat innemen.

De behandeling van scheelkijken (strabisme)en een lui oog (amblyopie) - gezien vanuit een holistisch standpunt

Scheelkijken gaat inderdaad vaak - maar niet altijd - samen met verziendheid, en verziendheid komt veel voor zonder scheelkijken. Tevens is het de vraag of de andere mogelijke oorzaak, namelijk een groot verschil in zicht tussen beide ogen, als oorzaak of als gevolg van het scheelkijken gezien moet worden.

In de reguliere gezondheidszorg worden deze verziendheid en een groot verschil in zicht tussen de ogen als oorzaak van scheelkijken gezien en de behandeling wordt daarop afgestemd door het voorschrijven van een bril. Je zou mogen verwachten dat een bril het probleem op zou lossen, omdat een bril de vermoedelijke oorzaak, dat wil zeggen de verziendheid en/of het verschil in zicht tussen beide ogen, compenseert.

Hoewel een bril vaak wel meer ontspanning in het kijken geeft, wordt het probleem er in veel gevallen niet mee opgelost en wordt er gegrepen naar mijns inziens 'paardenmiddelen' als afplakken en opereren.
Deze remedies leveren niet altijd (blijvend) resultaat op, en leiden zoals ik in mijn praktijk regelmatig ervaren heb, zelden tot echt binoculair zicht (ontspannen waarnemen met twee ogen te gelijk) en daarmee ook niet tot het zien van diepte.
Daarbij kunnen ze door het (verstorende) effect dat ze hebben op de visuele informatieverwerking in de hersenen en op de emotionele ontwikkeling van het kind, meer schade veroorzaken dan waar nu vanuit gegaan wordt.  Daarom is het heel belangrijk om verder te zoeken naar een mogelijke oorzaak en behandeling, want niets doen is geen optie.


Er kunnen meerdere oorzaken bestaan voor een onvoldoende samenwerking van de beide hersenhelften

Wanneer er geen medische redenen zijn kan de oorzaak liggen op het terrein van

I     Motorische en zintuiglijke ontwikkeling  
II    Aanleg en karakter
III   Opvoedingsklimaat
IV   Omgeving

Ga voor aanwijzingen voor het stimuleren van de motorische en zintuiglijke ontwikkeling naar de pagina Motorische ontwikkeling (zie het tabblad bovenaan deze pagina)

Het boek Corpus Callosum Methode Deel I bevat een programma met motorische en zintuiglijke oefeningen voor kinderen vanaf ongeveer 4 jaar. Ook met kinderen van 2 tot 4 jaar kunt u op een speelse manier een start maken met het oefenprogramma.
Kinderen en (jong) volwassenen met oogproblemen kunnen veel baat bij dit programma hebben.
Blijf echter onder controle van de oogarts en breng hem of haar op de hoogte van waar u mee bezig bent.
Houd er wel rekening mee dat de meeste oogartsen geen holistische kijk op gezondheid hebben en alles afwijzen wat met optologie of andere complementaire behandelmethodes te maken heeft.




© 2007 C.M. Hulsman-Krul